Brief aan Prokofiev

Beste Sergej,

Waarschijnlijk ben je gewend door liefhebbers van je muziek te worden overspoeld met superlatieven. Ik ben zeker een groot bewonderaar van je, maar voor één ding kan ik je niet vergeven: de Wolf. Je hebt mij en vele kinderen met mij onder de tafel gejaagd met je dreigende hoorns en wrede pauken. Door boze tranen heen keek ik dan naar mijn moeder’s ontspannen voeten en hield haar enkel vast tot het over was. Dan langzaam van onder de tafel komen en zeggen dat het niet zo erg was, hoor.
Later, wat ouder, voelde ik de Wolf alláng aankomen en klom op de ribfluwelen benen van mijn vader, die mij dan stevig vasthield, om vervolgens zachtjes in mijn oren te grommen.

Nu nog voel ik de woede jegens de muziek, of jegens jou eigenlijk, dat het me dít aandeed, dat het me kwaad deed. Maar dan kwam de troost van het Peter-thema, waarop de tranen opnieuw kwamen, maar dan van opluchting en voorzichtig vertrouwen: de muziek was me weer goed gezind. Ik liet mijn vader los en liep terug naar mijn zusje, dat dapper was blijven zitten waar ze zat. Wat zal je trots zijn geweest op je eigen muzikale kracht, toen je voor het eerst sovjet- kinderen met witte strikjes en rode sjaaltjes zag ineenkrimpen van angst.

Maar ik vraag me ook weleens af of je trots op mij was geweest, als je jouw Ouverture on Hebrew Themes had gehoord toen ik hem voor het eerst speelde.
Ik was een bakvis onder bakvissen op een zomercursus in Oostenrijk. Er was daarvoor een 13e eeuws kasteel afgehuurd en we sliepen in de torens, repeteerden in de martelkamer, hingen aan de kroonluchters, kotsten in de slotgracht en één van ons sprong een opgezet paard om de hals, waarop het door zijn hoeven zakte. We kochten tweeliterflessen rode wijn, zetten die tussen ons in als we repeteerden en balanceerden sigaretten op onze lessenaars. In kastelen zijn geen rookmelders en bovendien: échte musici deden dat toch ook als ze repeteerden?
Ik mat mezelf een solistisch persona aan, hield mijn oren op stokjes, knikte de altviolist bemoedigend toe, schonk de pianist een minzaam glimlachje, terwijl ik vanbinnen stierf van de zenuwen. Ik leerde de muur te metselen die het vak van ons vergt.
Ik had net mezelf leren vibreren op de klarinet. Jaloers had ik jarenlang mijn zus horen wapperen op haar viool en ik wilde óók. Daar maakte ik in dit stuk copieus gebruik van en dat werd een leuke volkse boel. Onze leraar vond dat zo aandoenlijk dat hij me vroeg bij het concert al spelend de zaal binnen te komen, terwijl ik een ‘joodsig bruiloftsdansje’ deed.
Het begin van het stuk doe mij een beetje denken aan een begrafenisondernemer met een klapvoet, wellicht ben je het ermee eens. Probeer dáár maar eens een dansje op te doen. En zeg nu eerlijk, even van shickse tot goy: we kunnen nog zó ons best doen, maar joods zullen we nooit zijn.
Ik trilde de hele dag van het concert als een rietje, maar ik heb het verdomme gedaan en het overleefd. Onder normale schoolkinderen zou ik jaren gepest worden door het doen van dit dansje en me zo aan te stellen, maar onder mijn muzikale lotgenoten was ik vanaf toen een heldin, een durfal. Ik zal het nooit meer met zoveel geestdrift spelen als toen, maar de moed die de muziek, of jij eigenlijk, me toen heeft ingeboezemd, daar móét ik je voor bedanken.

HGr, Heleen Oomen

Zie hier de pagina uit het tijdschrift De Nieuwe Muze, waar deze brief in verscheen.

Plaats een reactie