Kent u dat, dat u zich zó ergert aan een bepaalde uitdrukking of zelfs maar één woord, dat het horen uitspreken ervan u onpasselijk maakt?
Zo heb ik al mijn hele leven grote moeite met de woorden (op)peuzelen en (op)smikkelen: het lijkt mij iets dat onmogelijk plezierig kan zijn, bijvoorbeeld iets dat men opdraagt aan kinderen te doen met bruinende stukjes appel. Maaltijd doet me altijd denken aan dat we eigenlijk maar dieren zijn, die malen, verteren en dan uitwerpen. Onomatopeeën die te maken hebben met eten, zoals slok, en hap, verdraag ik ook slecht. Om maar niet te beginnen over het lied ‘Smakelijk eten, hap hap hap, slok slok slok.’ Ten slotte wil ik niet dat iemand mij ‘smakelijk eten’ toewenst. Bah.
Goed, het zal wel aan mij liggen. Het deprimeert me dat mensen fleurige termen bedenken om de dagelijkse zaken op te leuken, of om zelfs ‘het kolken des wereldleeds’ te bezweren. Ik zal dat laatste even voor u illustreren.
Begin maart, nog voor alle café’s gesloten werden, stond ik in een tabakszaak op mijn beurt te wachten, terwijl een vrouw de ietwat ongeduldig uitziende eigenaar aan de praat hield.
Ik luister altijd iedereen af (ook kijk ik in kastjes bij mensen thuis en ja, ik kijk naar iedereen in de sauna), dus uiteraard hier ook. De vrouw in kwestie leek getekend door veel roken en het leven in het algemeen, en had een krullerige hond bij zich, die zuchtend naar haar opkeek.
Zij sprak met een hese, vermoeide stem:
‘… er komt al niemand bij mij thuis… dus ik zie vrijwel niemand… ik heb nog geluk dat ik de hond mag uitlaten’.
De hond keek daarop alsof hij dat geluk niet delen kon.
‘Ja’, sprak de eigenaar armoedig.
‘Ik ben doorgaans niet zo snel eenzaam’, ging zij verder, ‘nou, goed, de schoonmaker komt wel langs, natuurlijk. Die houdt soms een praatje’.
‘Ja’, zei de man weer.
Maar nu komt het:
‘Helemaal nergens heen mogen… ik weet niet hoe ik het zal uithouden, hoor, want als we straks lockie-lockie gaan…’
Bij dit laatste maakte ze een beweging alsof ze haar keel doorsneed. De eigenaar knikte meewarig.
De vrouw zuchtte. De hond zuchtte.
Hierop besloot zij op huis aan te gaan, kermde ‘dááág’ en verdween de winkel uit.
Lockie-lockie! Nou vraag ik je.
Ik heb die arme vrouw nooit meer gezien, en soms vraag ik me af hoe zij verder gevaren is. Maar die lockie-lockie, daar heb ik sindsdien toch wel erge last van.
