Vroeger woonden wij aan een rustige kade, in een ruim en mooi huis.
Het was een vrij oud huis ( toen “uit de vorige eeuw”) en vol met fonteintjes, doorkijkjes, delfts-blauwe tegeltjes, sierlijsten, originele schouwen… en mijn kamertje had de mooiste deurknoppen, zei mijn moeder.
Als er slijtplekken kwamen, ging ze liefhebbend (maar vrijwel elektrisch van neurose) in de weer met schuurpapier, houtlijm, vulmiddel, verf en zo voort. En alles moest en zou schoon. En zo hadden wij een Portugese huishoudster, genaamd Theresa, die alleen “Iek bin Theresa” enigszins schuldbewust, door de intercom kon zeggen in het Nederlands, en verder mijn moeders gedetailleerde schoonmaakinstructies in de wind sloeg, ook al knikte ze erbij alsof ze heel de wereld begreep.
Ze zag eruit zoals je je kan voorstellen: gedrongen, een pruimvormig gezicht met olijfkleurige teint, gitzwart helm-haar en ze droeg gebloemde wijde bloesjes en van die elastische Portugese schoentjes. Mijn moeder, die zich schaamde om een ander te laten schoonmaken, deed dan ook dat soort schoentjes aan en ging haar vaak helpen.
In de zomer voor ik zeven werd – omdat ik mijn zevende levensjaar zou beginnen met klarinet spelen is dit voor mij een haast onbegrijpelijke tijd – vlogen we naar Portugal op vakantie. Met de huurauto reden we naar een klein en pover dorpje buiten Lissabon, waar de familie van Theresa woonde ( onder de hete zon op de akker, en alles was oker en turquoise, en er was een put met kleine goudvisjes en eentje raakte mijn hand! en mijn zusje zei dat mijn ijsje groter was, echt niet, toen viel mijn ijsje, ohnee).
Ik herinner me een gebeurtenis, maar het kan een aangedikt verhaaltje zijn, dat door decennia herhaling en gevoerd met pathos levend is gehouden. Mijn ouders waren mij kwijt, een half uur lang. Dat moet angstaanjagend voor hen zijn geweest, en vast des te meer in een ander land. Ik stel me voor dat ik met deinende pijpenkrulletjes een hellinkje moet zijn afgegaan, zingend en zonder herinnering, misschien een vlinder achterna, toen een nauw straatje in en dat ik om moet hebben gekeken en niks herkende. Dat ik terug probeerde te lopen maar ernstig verdwaalde, alsmaar sneller lopend, steeds hoger “mama” roepend, totdat mijn hele prille zijn me moet hebben toegeschreeuwd dat er een ramp zich voltrok, en hoe wreed dat de poes op de hoek, de bloemetjes en het fijne weder onverschillig en onveranderd bleven, ook al leek mijn wereld te vergaan. Of zoals een vriend van mij zo affectief zeggen kan: de zon bleef schijnen in Auschwitz.
En niets is erger voor een kind: alleen was ik en lang ook. De wereld had zich moeten omvormen tot twee grote moederlijke armen en mij moeten opvangen. Omdat ik dit zelf niet meer weet is het een mysterie hoe ik het half uur heb gevuld, maar toen mijn wanhopige ouders mij aantroffen – de kreet van mijn moeder kan ik me wel voorstellen, die van een stervende koe – stond ik met een bos bloemetjes tegen mij aangedrukt – ik had een hele plantenbak leeggeplukt- betraand bloemetjes uit te delen aan verbaasde mensen op straat.
Ik denk dan met tederheid maar ook verdriet terug aan hoe ik moet zijn geweest: ik moest en zou lief gevonden worden en in mijn alleen-zijn werd de drang alleen maar groter. Misschien hoopte ik dat er een mens op straat me zou meenemen en liefdevol zou opnemen in hun gezin, omdat ik een bloemetje had gegeven?
En nog is het zo, zeker als ik alleen ben. In godsnaam neem me mee naar huis, neem alsjeblieft mijn bloemetje aan.
