Stukje ik

Disclaimer: ik ben een millennial, dus dit stukje gaat veel over mij, versies van mij, hallucinaties van mij en nog eens mij. Moge jij wat aan mij hebben. 

Toen ik me een paar jaar geleden realiseerde dat ik depressief was geworden, accepteerde ik zonder protest het voorschrift van mijn psychiater: ik kon aan de antidepressiva.
Als je depressief bent – en in mijn geval ook angstig -, zit je hart potdicht. Daar waar je hart zit, is hars gegoten, en verhard tot barnsteen. Het barnsteen zit onbeweeglijk in je borst.
Volgens mij is het niet zo dat je niets voelt, zoals veel mensen zeggen, maar er is niets daadwerkelijk meer goed.
Je bent zwaar, en intens verdrietig. Ik voelde intense zelfhaat, haat naar anderen toe, schaamte, schuldgevoel, maar ook desinteresse, walging, hopeloosheid. Ik was cynisch en hard. Niets ontkwam meer aan mijn negativiteit, ook niet goedbedoelende mensen, plekken, ervaringen. Herinneringen waarin ik gelukkig was geweest maakten me bedroefd. En was ik eigenlijk ooit gelukkig geweest…?
Het is zo verraderlijk geleidelijk gegaan: eerst was er nog af en toe respijt, al dan niet door grappige vrienden, lieve partners of alcohol aangezwengeld, maar uiteindelijk is er niets dat verlichting biedt. Kussen en omhelzingen, alles gaat in de beerput. Hoe had ik kunnen weten dat uiteindelijk alleen jijzelf jezelf eruit kust en omhelst? 

Dus daar ging ik, een apotheek in Amsterdam-Zuid binnen. Ik maakte me zorgen over de opbouwperiode van de pillen, waarin je je vaak eerst véél slechter voelt, en dan pas beter. De apotheker vroeg: “Eerste keer?” en deed een poging mij gerust te stellen. Natuurlijk luisterde ik niet. Maar voorzichtig geloven dat de pillen zouden werken, deed ik wel.

Het zou erger worden dan ik dacht. Daar waar ik me eerst ouderwets kutter dan kut voelde, wist ik nu niet meer te functioneren door hoe onuitstaanbaar ellendig elke minuut van de dag was. Ik weet nog dat ik mijn zus schreef: “Er is een begrafenis in mijn hart”.
Och, ik werd toch zó poëtisch van ellende in die tijd.
Ik kreeg levensechte nachtmerries zoals nooit tevoren: over lijken met vreemd pulserende genitaliën, een (mij bekende) vrouw die zichzelf ontleedde, met alleen mijn longen vol lucht in ondergrondse aardedonkere tunnels zwemmen, of ik urenlang in een dichte doodskist. De allerengste was van een God die donker en onbeweeglijk in de lucht hing, boven mij, als een Goddelijk Zwaard van Damocles.  

Mijn psychiater, de onnavolgbare Esther van Fenema, ried me aan te blijven concerten geven en lesgeven. Dat heb ik – met maar één dag afzeggen – in die hele opbouwperiode gedaan.

Even over therapiesessies. Vaak vragen psychiaters en psychologen na te denken over het kind dat je was, en het kind in jezelf. Dit is, denk ik zo, om bij jezelf te rade te gaan over hoe het allemaal begon, en hoe je het leed in je jeugd nu kunt helen. Het kind kon er niets aan doen, en het was machteloos en afhankelijk.  
Toen een psycholoog mij voor het eerst vroeg wat ik tegen ‘kleine Heleentje’ zou zeggen, keek ik haar vol walging aan. Ik voelde me bewerkt. Wie is zij om nu een bijzonder moment af te dwingen bij mij? Wat een gore truc.  
Maar ik vroeg aan Esther in deze opbouwperiode: “Komt het goed?”
“Ja”, antwoordde ze, want de pillen zouden gaan werken, en ik zou me beter gaan voelen.
Toen ik vroeg: “Hoe ga ik deze opbouwfase verdragen?”,  zei ze dat ik me ook kon voorstellen dat ík mezélf aanmoedigde om door te gaan.  Esther dringt niets op, maar suggereert, zo lijkt het. In werkelijkheid denk ik dat ze zo meesterlijk manipuleert, dat ik het bij haar wél toeliet.
Direct stond er, toen ik me dit voor de geest haalde, een versie van mijzelf naast Esther in haar stoel, die – geheel stil – enthousiast op en neer sprong en juichte als een cheerleader. Ik grinnikte en zei : “Tja”.
Dingen moeten bij mij altijd in de week. 

Maar je wordt wanhopig van depressie. De eerste keer dat ik het dus tóch besloot uit te proberen, was toen ik een groep stuiterende kinderen onder mijn toen nog niet zo stabiele muzikale leiding had. Mijn hart maakte overuren, mijn mond was kurkdroog, ik zweette als een otter, en ik voelde begrafenis en afgrond.
Achter de kinderen verscheen een nonchalante versie van mijzelf, leunend tegen de vensterbank. De blik zei: “Ach, je komt er wel doorheen”. En ik ging door.
Buiten projecteerde ik een Ik, die op straat voor me uit huppelde. Die Ik scheen te weten: deze kant op!
Ik werd er zo goed in, dat ik uiteindelijk leerde áltijd, waar ik het nodig had, een hallucinatie van mijzelf te projecteren, meelopend, of naast me liggend. Soms was die vrolijk, soms troostend, of kalmerend. Eigenlijk is je geest dan als een Pokémon Go-app, maar niet een Pokémon-figuur verschijnt, maar jijzelf.
Soms greep ik zelfs mijn eigen hand, of aaide mijzelf, of veegde tranen van mijn wangen. Het is per slot van rekening een intieme bezigheid, die je met niemand hoeft te delen. Je hoeft geen schaamte te voelen.

Stel dat jij, lezer, dit uitprobeert. Wie zijn deze versies van jezelf?  Wat wil je dat ze je bieden? Voorspellen ze de toekomst? Zijn ze alwetend? Beter dan jijzelf? 
Nee, dat denk ik niet. Je zoekt ze in jezelf: is er ergens nog hoop en vertrouwen?
Misschien zijn ze, als het niet lukt dat te zien, als een ideale versie van een moeder: eeuwig gelovend in jou, jou volledig accepterend. Onvoorwaardelijk liefhebbend.

De pillen begonnen, na ongeveer zes vreselijke weken, te werken. Er kwam een dun isolatielaagje tussen mij en de nare gedachten. Tot ik eindelijk zag dat ik de gedachten niet was. De Ik-hallucinaties verdwenen. Ze smolten in mij en we werden één.
En een hele tijd dacht ik er niet meer aan: ik was per slot van rekening ‘beter’, dacht ik euforisch. Eindeloos optimistische tijden braken aan!

Helaas gooit het leven je toch altijd weer wat ellende in het gezicht. Jaren later. 
Maar ik was het leger van Ik allang weer vergeten.
Tot ik onlangs besloot een serieuze poging tot meditatie te wagen. Ik meldde mij aan bij yoga-lessen waarbij je langdurig in dezelfde positie ligt, en diep in- en uitademt.
Nu moet je niet zo’n yogadocent hebben die aan één stuk door ouwehoert en op je inpraat: je moet stilte hebben om de meditatie toe te laten.
Tijdens een van de sessies, toen we lang in kleermakerszit zaten, klom ik in mijn geestesoog op schoot bij een reusachtige versie van mijzelf, ook gezeten in kleermakerszit. Ik keek omhoog naar mijn massale gezicht, dat sereen vooruitkeek, leunde tegen een kamerbrede arm aan en voelde mijzelf zacht in- en uitademen. Prettig, toch? Veilig zijn bij jezelf is van wereldbelang.

De week erna, weer tijdens een sessie, besloot ik bij mezelf op bezoek te gaan in een open veld. Ik construeerde mijn gezicht. Ik had heel lange wimpers. Ik had beter haar, en ik was slanker, ik had delicate vingers, ik droeg een lange jurk die mij niet zou staan. Ik was elfachtig, lieflijk.
Ik keek naar mijn eigen voeten. Had ik ineens poezelige voetjes, smal en wit? Nee, verdomme, ik heb toch gewoon grove poten, breed en rood aangelopen? En langzaam veranderde de verschijning in mijzelf, met alle – vele – imperfecties. Twee dikke gezellige armen, de wallen die er altijd zijn, de knobbelknieën. En we hadden het gezellig.    
Weer een andere sessie, nodigde ik allerlei kanten van mijzelf om plaats te nemen in mijn eigen woonkamer. Ik raad deze visualisatie voorál aan, ook omdat het best geinig is je voor te stellen dat een hele ruimte vol zit met Jou: een vrolijke versie van jezelf, een diepbedroefde, een angstige, een boze, een verveelde, enzovoort. Maar vergeet zeker niet ook alle soorten die je liever niet ziet: onhandig, lui, laf, gemeen, dommig, zelfhatend, jaloers, vraatzuchtig, verzin maar. Laat ze allemaal bij mekaar zitten en bekijk ze rustig. Accepteer ze maar.

Ik wil dit concept aansmeren aan eenieder die last heeft van zelfhaat. Je hebt niets nodig: een lege ruimte en je gewaardeerde partners, kinderen of huisdieren eventjes weg. Heb geen schaamte: jij bent je eigen eerste hulplijn. Met wie anders moet je je leven lang rooien dan met jezelf? Moge je er baat bij hebben.  

Een versie van deze blog verscheen op 3 juni 2024 in Tijdschrift Positieve Psychologie

Eerlijk verzonnen jeugdverhaaltje


Vroeger woonden wij aan een rustige kade, in een ruim en mooi huis.
Het was een vrij oud huis ( toen “uit de vorige eeuw”) en vol met fonteintjes, doorkijkjes, delfts-blauwe tegeltjes, sierlijsten, originele schouwen… en mijn kamertje had de mooiste deurknoppen, zei mijn moeder.
Als er slijtplekken kwamen, ging ze liefhebbend (maar vrijwel elektrisch van neurose) in de weer met schuurpapier, houtlijm, vulmiddel, verf en zo voort. En alles moest en zou schoon. En zo hadden wij een Portugese huishoudster, genaamd Theresa, die alleen “Iek bin Theresa” enigszins schuldbewust, door de intercom kon zeggen in het Nederlands, en verder mijn moeders gedetailleerde schoonmaakinstructies in de wind sloeg, ook al knikte ze erbij alsof ze heel de wereld begreep.
Ze zag eruit zoals je je kan voorstellen: gedrongen, een pruimvormig gezicht met olijfkleurige teint, gitzwart helm-haar en ze droeg gebloemde wijde bloesjes en van die elastische Portugese schoentjes. Mijn moeder, die zich schaamde om een ander te laten schoonmaken, deed dan ook dat soort schoentjes aan en ging haar vaak helpen.

In de zomer voor ik zeven werd – omdat ik mijn zevende levensjaar zou beginnen met klarinet spelen is dit voor mij een haast onbegrijpelijke tijd – vlogen we naar Portugal op vakantie. Met de huurauto reden we naar een klein en pover dorpje buiten Lissabon, waar de familie van Theresa woonde ( onder de hete zon op de akker, en alles was oker en turquoise, en er was een put met kleine goudvisjes en eentje raakte mijn hand! en mijn zusje zei dat mijn ijsje groter was, echt niet, toen viel mijn ijsje, ohnee).

Ik herinner me een gebeurtenis, maar het kan een aangedikt verhaaltje zijn, dat door decennia herhaling en gevoerd met pathos levend is gehouden. Mijn ouders waren mij kwijt, een half uur lang. Dat moet angstaanjagend voor hen zijn geweest, en vast des te meer in een ander land. Ik stel me voor dat ik met deinende pijpenkrulletjes een hellinkje moet zijn afgegaan, zingend en zonder herinnering, misschien een vlinder achterna, toen een nauw straatje in en dat ik om moet hebben gekeken en niks herkende. Dat ik terug probeerde te lopen maar ernstig verdwaalde, alsmaar sneller lopend, steeds hoger “mama” roepend, totdat mijn hele prille zijn me moet hebben toegeschreeuwd dat er een ramp zich voltrok, en hoe wreed dat de poes op de hoek, de bloemetjes en het fijne weder onverschillig en onveranderd bleven, ook al leek mijn wereld te vergaan. Of zoals een vriend van mij zo affectief zeggen kan: de zon bleef schijnen in Auschwitz.
En niets is erger voor een kind: alleen was ik en lang ook. De wereld had zich moeten omvormen tot twee grote moederlijke armen en mij moeten opvangen. Omdat ik dit zelf niet meer weet is het een mysterie hoe ik het half uur heb gevuld, maar toen mijn wanhopige ouders mij aantroffen – de kreet van mijn moeder kan ik me wel voorstellen, die van een stervende koe – stond ik met een bos bloemetjes tegen mij aangedrukt – ik had een hele plantenbak leeggeplukt- betraand bloemetjes uit te delen aan verbaasde mensen op straat.
Ik denk dan met tederheid maar ook verdriet terug aan hoe ik moet zijn geweest: ik moest en zou lief gevonden worden en in mijn alleen-zijn werd de drang alleen maar groter. Misschien hoopte ik dat er een mens op straat me zou meenemen en liefdevol zou opnemen in hun gezin, omdat ik een bloemetje had gegeven? 
En nog is het zo, zeker als ik alleen ben. In godsnaam neem me mee naar huis, neem alsjeblieft mijn bloemetje aan.    

Luchtverplaatsing.

imagesHet is nacht, een ware rust hangt in de nacht, een diepblauwe lange zucht; er staat een fermate boven de wereld. Wij ademen de vochtige nachtlucht in, blazen nevels naar elkaar. Opgepast! Een spookachtige gedaante zweeft soepel en geruisloos door het duister, een schaduw gaat over het maanverlichte veld, waarna een lange krijschende doordringende kreet klinkt. Plots zien wij een gewit hartenmasker, als een sluier, zwarte ogen kijken ons moorddadig aan. Grijp uw moedertje, zusje, broertje, oh schrik, oh hemel, een omen van het ergste soort, dat weten wij allen. ‘Maar nee!’, spreekt een verdacht knappe man in ons midden, ‘de uil van Minerva is neergedaald!’
Spreekt een ander: ‘Nee jij lavendelsnuivende eikel, Hegel zegt: “pas als de avondschemering is gekomen begint de uil haar vlucht”! Of bedoel je te zeggen dat nadat de bewustwording vanuit geschiedenis is ingedaald, er daarna nog nieuwe conclusies komen?’
We zijn even stil. Wij hebben allen natte vingers.
‘Nee, hij bedoelt dat we in de nacht van onze gewaarwording zijn gekomen.’, oppert er een.
De knappe man fronst zijn mannelijke frons: ‘Wir haben es dus al gewusst? Het avondland gaat ten onder’, zegt hij dan grinnikend.
‘Wansmaak’, klinkt een vrouw vanachter, ‘en Minerva hield zich meer met familiedingen bezig, vind jij toch?’
De man grijnst alsof het pijn doet. ‘Minerva is geen echte vrouw, eigenlijk’, zegt hij dan. We komen er niet uit. De uil is alweer opgevlogen.
‘Ken je de ziekte van Hedel?’, zeg ik dan. ‘Dat is meer haar op je lul dan op je schedel.’

Appendix

‘Waarom bel jij me niet als je zoiets hebt?’, zei mijn huisarts enigszins gekwetst toen ze me opbelde.
Drie dagen ervoor werd ik wakker met een vrij heftige pijn in mijn buik. Ik keek op de klok: half één. Ik slaap al meer dan een jaar bijzonder slecht -dit houdt veel wakker worden in-, vaak vanwege een gevoel van alertheid, soms van lawaai van mijn verloofde, het gros van het jaar ook nog doordat ons bed te klein was en wij te groot. Maar zó snel na het inslapen wakker worden was zelfs mij nog niet eerder gelukt. Ik voelde misselijkheid opkomen, en heb de rest van de nacht overgegeven en pijn geleden. De maandag die erop volgde hield dit aan en stuurde ik mijn huisarts een online bericht dat ik dit had doorgemaakt en wilde weten wat ik kon eten en doen om te kunnen functioneren. De volgende ochtend stond ik zelfs in de sportschool, mét pijn, om mijn lijf te dwingen te kunnen krachtpatsen.
En toen belde de huisarts, ontbood me te komen, en stuurde me toen rechtstreeks op verdenking van een blindedarmontsteking door naar de eerste hulp, het OLVG Oost te Amsterdam.

Daar in de namiddag aangekomen in de eerst hulp-wachtkamer, belde ik mijn verloofde, David, op dat hij niet helemaal uit Den Haag hoefde te komen, want de huisarts had volgens mij gewoon zin in dramatiek. Hij stond erop toch te komen.
Toen de eerste verpleegster mij ontving, kreeg ik onmiddellijk een infuus in mijn arm, dat ze bijna liefhebbend een ‘bloedkraantje’ noemde, want dan kun je *poep* – deed ze- zó het bloed laten stromen. Ik kwam daar eigenlijk alleen om te laten bewijzen dat ik geen blindedarmontsteking had, dus ik vond dit alles vrij overdreven.

In de wachtruimte voor de spoedafdeling probeerde ik op de achterkant van een kleurplaat een gedicht te schrijven genaamd ‘de ballade van de appendix’.  Maar dit gaf ik snel op, omdat ik niets kon rijmen op ‘uit’ na de regels ‘Middernacht schreeuwt mejuffer Oomen het uit:/’mijn ingewanden staan op springen!’.
De zaalarts kwam mij halen, ik douwde beschaamd mijn stompje gedicht in de prullenbak. Daar op de spoedafdeling zat ik lang te wachten op een bed, tot David eindelijk binnenkwam, ongeveer 2 uur nadat ik hem belde. Na enige tijd kwam weer een andere zaalarts mij na anamnese vertellen dat mijn symptomen ‘erg suggestief’ waren voor appendicitis, maar dat ze het niet kon zien. Ze vroeg wanneer ik voor het laatst had gegeten, en dat ik voor een operatie wel nuchter moest zijn, als het vanavond nog zou moeten gebeuren. Ik at al twee dagen nauwelijks, dus dat zat wel snor. Ik registreerde dit alles niet volledig, maar David wel, die zich onmiddellijk zorgen maakte dat we niets meer mochten eten. Ik zou hem dit nog lang om de oren slaan, arme jongen. Verder heb ik geen vragen gesteld, omdat ik te verbouwereerd was.


Na weer een uur mocht ik naar boven voor een echo, en ik werd voortgeduwd in een bed, wat ik bizar vond. Kan ik nu ineens niet meer lopen? Daar, in de echo-wachtkamer, aaide David mijn voeten en vroeg ik hem als afleiding het verhaal van Narcissus en Echo te vertellen, dat hij gehoorzaam oplepelde.
Op een gegeven moment kwam een verdwaalde radioloog aanzetten, die mij met zijn apparaten vrij veel pijn deed en zei: ‘Ja die moet eruit’, want mijn appendix was dus wél ontstoken. Hij kon niet zien of hij al geknapt was, dat moest duidelijk worden tijdens de operatie, maar het was goed mogelijk, zei hij. Hij kon verder geen vragen beantwoorden, want dit was meer voor de chirurg.
David en ik keken elkaar verbaasd aan. Eerst zet de meligheid in, hoor. Maar geopereerd was ik nog nooit, en ook had ik nog nooit iets gehad dat je als ‘gevaarlijk’ of ‘acuut’ mag bestempelen. Ergens wist ik dat dit zo was, maar googlen zou ik mijn tijd in het ziekenhuis niet doen, dat ging ik mezelf niet aandoen. Een geknapte appendix en de gevolgen daarvan waren te raar om me bij mezelf voor te stellen, dus mijn instelling was ‘Tja, dit moet, en het is vanavond gebeurd, dus ik ga er niet te veel over nadenken’.  Al zingend en klingend (zie de ballade Lied van Heer Halewijn) werd ik in een bed terug naar de spoedafdeling geduwd. David vertrok om wat spullen voor me te halen, ik geloof dat ik hem vroeg om een telefoonoplader en een boek, want ik was toch zo weer weg?

David kwam mijn spullen brengen. De schat had een roos meegenomen, en gelukkig ook een slaapjurkje, een paar Carmiggelts, en de zeehond-knuffel Tjeerd, die ik voor hem kocht op ons geliefde Ameland, die in plaats van mijn knuffel Twidy dienst moest doen. Mijn Twidy mag nergens heen, want die mag niet kwijtraken. David ging weer, na me lang te hebben gekust (als delfts blauwe kussende kindjes). Ik keek nog lang naar hem, terwijl hij gezond het ziekenhuis uitbeende.

Na een uur met een rommelende maag naar een systeemplafond-tegel kijken, werd ik door een alleraardigste jongen gebracht naar de acute afdeling. Hij vroeg wat ik van de mallemolen vond. Ik zei dat ik het niet wist en keek verbaasd in de spiegel van de lift naar mijn bleke hoofd. Ik kreeg een bed en een aantal pijnstillers en de verpleger Marnix legde uit dat het zo maar kon zijn dat ik zo al werd opgehaald, maar dat het ook wel even kon duren. Hij liep weg zonder te wachten op een vraag van mij.

En toen was ik echt alleen. En wat wist ik eigenlijk? Niets, niet wanneer ik werd gehaald, hoe het echt zat in mijn buik, of ik dood zou kunnen gaan, maar ook hoe de tv werkte, hoe ik een verpleger moest roepen, of ik water mocht drinken. Wat is nuchter? Wanneer mag ik een verpleger roepen? Worden ze geïrriteerd als ik om hulp vraag? Is er hier code corona, moet ik een mondkapje dragen, hoe ziek zijn de anderen?
Geshockeerd probeerde ik mij te nestelen op het vreemde sponzige ziekenhuis-bed. Het rook chemisch en ziek. Ik keek naar mijn arm, met het bloedkraantje. Ik keek naar de kamer en de mensen met wie ik de kamer deelde, die daar open en vol in het zicht lagen, maar heel kort, want ik sloot meteen de gordijnen rondom mij. Zo had ik een soort mini-kamertje. Als ik mijn bed verliet, deed ik dat met oogkleppen op. Ik registreerde geen gezichten.
Wel hoorde ik ze constant praten. Er lag een Marokkaanse jongen die klonk alsof hij overgewicht had, ik weet inmiddels hoe dit klinkt omdat ik bij de GGD (de vaccinatielijn) tientallen mensen met morbide obesitas heb ingepland.  Hij belde onophoudelijk met vrienden. Hij gaf de indruk een druk mens te zijn, want hij had feestjes met tantes, ooms en neefjes en vele ‘bradda’s’, en overal scooters en telefoonschermen te regelen. Hij benadrukte aan iedereen dat hij onterecht was opgenomen en gewoon weg kon lopen, al heb ik hem in de tijd dat ik daar was niet één keer zien lopen.
Er lag een Amerikaans meisje dat vrij snel al werd ontslagen ‘ thankyow byeguyssss’. Daarvoor in de plaats kwam een lodderige stem rechts van mij, een vrouw die in de Jellinek zat, zo te horen aan al haar telefoongesprekken, want ze sprak over ‘de strijd’ en ‘gebruiken’, en terug naar de kliniek moeten hierna. Ze had een schrale lach en drukke beentjes, waardoor mijn gordijnen schudden.
Mijn kamergenoten hadden geen enkele gêne; ze spraken hard, belden met de speaker aan, ruften, spuugden, kermden en zuchtten zo hard ze wilden.

En ik zat daar als een kerkmuis. Waar was mijn noodknopje? Toen pas durfde ik de verpleger te gaan halen op de gang omdat ik ook zo graag mijn sportbeha uit wilde doen, maar dit niet zelf durfde omdat ik bang was dat ik mijn bloedkraantje eruit zou jassen. *poep*!
Ik voelde me schuldig dat hij eventueel mijn grote blote borsten moest zien, en verontschuldigde me toen ze inderdaad, toen hij me hielp, met een grote onbeschaamdheid uit de strakke top floepten, als een clown die het podium opspringt. Hij liet niets merken en zei: ‘waarom draag je dat in godsnaam, wat ongemakkelijk.’ Ik mompelde dat ik inderdaad wel stom was. Ik zwaaide gedwee naar hem. En daar ging-ie weer, zodat ik wéér niet wist waar het noodknopje zat.
Vele hongerige uren later (waarin ik uiteindelijk wel durfde te vragen waar dat vermaledijde knopje was) werd het duidelijk dat de operatie vanavond niet zou lukken. Gelukkig durfde ik om middernacht om een slaappil te vragen, want slapen in een ziekenhuis? Dat zou me nooit lukken. Het zou een vreselijke nacht worden, met verplegers elk uur, piepjes, gesmak, zuig- en blaasgeluiden en hard gesnurk.

Om 6 uur werd ik wakkergemaakt voor bloed prikken en medicijnen. De uitslag daarvan werd mij niet medegedeeld. Een uur lang keek ik naar mijn bloedkraantje. Daarna kwam er om 7 uur iemand binnen die mij een ontbijt aanbood. Ik stamelde dat ik dat niet mocht, dacht ik zo, en ze liep weer verward weg. Ze stak even later haar kop om de gordijnen heen en zei: ‘ja klopt, sorry’. Ik zou in de ochtend worden geopereerd, dus nuchter blijven was nodig.
Dit operatie kwam niet in de ochtend. De honger maakte me inmiddels redelijk zwakjes, en de tranen waren om de hoek. Toen ik op de muur las dat door corona de bezoekuren pas vanaf 15:30 waren en ik me realiseerde dat ik dit alles zonder David moest doorstaan, begon de paniek toe te slaan. Maar het noodknopje was ik te trots voor. De tijd was als stroop.
De zaalarts kwam zich melden, die vroeg hoe ik me voelde. Ik zette mijn sympathieke hoofd maar weer op. Gelukkig deden de tranen het werk voor me, want die kon ik inmiddels niet meer binnenhouden. Ik zei dat ik bang was, omdat ik niet wist hoe, wat of wanneer en dat ik het eng vond dat ik het alleen moest doormaken. Dat ik een naar jaar had gehad en vaak nogal bang ben. Ze zei dat ze me niet mocht aanraken vanwege corona, maar dat ze met me te doen had. Ze legde uit dat de geplande operaties en keizersneden etc. voorgaan (wat ik begrijp!), en dat de chirurgen het niet kunnen laten weten wanneer ik mag, maar dat het sowieso einde middag gebeurd was. Ze wenste me sterkte en ik huilde ‘ja’. En ik gaf haar nog even een lachje mee om haar gerust te stellen en vroeg of ze misschien een kussen op m’n hoofd wilde drukken tot die tijd.
Je hoopt altijd, als je een grapje maakt, dat je de eerste bent, maar iets zegt me dat in een ziekenhuis die vraag vaker wordt gesteld.

Erna ben ik volgens mij een beetje in een soort hongerdelier geraakt. Ik ben, vraag maar aan mijn omgeving, eigenlijk al na een uur honger onuitstaanbaar, en nu zat ik op drie dagen van eigenlijk niet eten. Ik weet eigenlijk niet meer precies vanaf hier op welke volgorde alles gebeurde, maar wel dat ik op een gegeven moment wel stennis móést gaan schoppen, omdat ik me zo ziek en zwak voelde. De wereld is niet gemaakt voor timide mensen. De wereld is niet gemaakt voor introverten. En dat geldt dus ook voor het ziekenhuis: je hebt geen privacy, en het is raar als je je gordijnen dichtdoet, dat zag ik wel aan de verstoorde blikken van de verplegers als ze zich naar binnen waadden.
Je moet ook je ruimte innemen, vragen stellen, en stennis schoppen als je iets nodig hebt.
Het knopje! Het knopje! Het eerste resultaat ervan was niet een perspectief op wanneer ik zou worden geopereerd, maar een vochtinfuus, dat vreemd doch fris in mijn arm bruiste.

Het knopje ben ik daarna steeds vaker gaan gebruiken, maar ik vergat telkens waarom ik dat had gedaan. Ik was bang, ik was niet meer rationeel: de narcose zou me het leven kosten, en de appendix was natuurlijk al geknapt, want zei die ene dokter niet…? Waarom verlangde ik eigenlijk al deze uren naar zoiets gevaarlijks? Zou ik niet beter weglopen? Ik dacht na over dat de dood in elk geval voor mijzelf misschien onbewust zou komen. Je lacht? Ik nu inmiddels ook.
Het werd middag, het werd namiddag, het werd avond. Tjeerd de zeehond viel telkens uit het bed, en een mager handje van een inmiddels aangeschoven nieuwe patiënte duwde hem telkens door de gordijnen terug mijn bed in. Er kwam nog een vochtinfuus, en Carmiggelt hielp niet meer, het internet niet, nergens kon ik me op concentreren. Het veel te korte uur dat David mocht langskomen was een kleine heerlijke onderbreking. Maar daar ging-ie weer.   

Inmiddels was de lodderige stem vervangen door een man die een pesthuis-sfeer met zich meebracht, door zijn walgelijke natte hoest en angstaanjagend benauwde geluiden, die op ritme van zijn adem kwamen. Hij had als dakenbedekker gewerkt en legde uit aan de nog altijd bellende Marokkaanse jongen, dat het door de giftige stoffen kwam. Inmiddels had ik hem  lang en breed mogen aanschouwen, hij was inderdaad reusachtig, als een smeltend stuk deeg, met een klein rond balletje bovenop, waarin guitige voortanden stonden, zijn lispelende manier van spreken verklarend. Maar hij was heel lief en bood aan me stiekem een Kinderbueno te brengen. Ik heb toch maar geweigerd…
De tijd liep niet meer en kwam tot stilstand. De verpleger Marnix kwam vertellen dat het misschien toch morgen werd, en dan op z’n laatst morgenmiddag, en dat ik toch echt nuchter moet blijven tot die tijd. Maar dat er voor mij werd gevochten om het vanavond te doen. Ik weet echt niet meer wat ik heb gezegd, maar ik weet wel dat ik niet meer mijn best deed om te glimlachen en erna in slaap ben gevallen. Volgens mij schakelde mijn lichaam mij uit genade uit. Het niet-weten werd me te veel, denk ik.  

Tot plotseling Marnix rond 21 u dansend binnenkwam met een operatiejasje. Toen ging het opeens snel: voordat ik wist lag ik vastgeketend in de OK, met nappen en draden, in een papieren onderbroek, trillend over mijn hele lijf van de angst, maar vastberaden de narcose in te gaan met gepaste gedweeheid. Het hele team in de OK stelde zich voor en ik kreeg voor het eerst de vraag: ‘heeft u nog vragen?’ En ik vroeg: ‘mag ik meteen weer klarinet spelen?’ Wat ik echt vrij aandoenlijk en tragisch vind achteraf gezien, en als je me kent vind je dat ook.
De chirurg zei overigens zeer gedecideerd ‘nee’. Ik bedankte hem dat-ie me wilde opereren. De chirurg riep, zijn handen wassend ‘je móét!’
Ik bedankte ook nog even de assistent-chirurge. En zij zei: ‘ach ik ben toch een vrouw van jouw leeftijd’. Raadselachtig.
En denkend aan een mooi strand ging ik dat narcosekapje in, en als een uitgelaten koe in de wei kwam ik eruit, iedereen was competent en waardevol, ook de prullenbak. Morfine… Het was goed gegaan. Twaalf uur later zou David me met de auto ophalen.

Nog even terug naar eerder die dag. Nadat ik voor het eerst huilde tegenover een zaalarts kwam er een verpleegster, ene Cara, duidelijk specifiek naar mij toegestuurd, die heel kunstmatig haar hand op mijn been legde en zei: ‘voor jou is het niet gewóón een simpele blindedármontsteking, dit is jouw leven’.
Vertaling: ‘voor mij, Cara, is het gewoon een blindedarmontsteking en jij moet rustig blijven’. Hoe houd je het voor mogelijk?
Als je even toch googelt, kun je namelijk zien dat het niet gewóón een blindedarmontsteking is, je kán doodgaan. Je kán ook onvruchtbaar worden als het ding knapt. Dit is dus waarom de assistent-chirurg zei: ‘ach ik ben toch een vrouw van jouw leeftijd’. Lees: vruchtbare leeftijd. Mijn vriendin Megan, die zelf ook gastro-enteroloog is, zegt dat het medisch gezien absoluut niet te verdedigen is níét binnen 24 uur te opereren. Dat is bij mij níét gebeurd. Later hoorde ik ook dat er een ambulance klaarstond om mij naar OLVG-west te brengen als het niet was gelukt mij op tijd te opereren. Maar wat was ‘op tijd’ geweest, wat zijn de voorwaarden van ‘op tijd’?
Natuurlijk kan een mens het aan niet te eten, maar niet te wéten is onuitstaanbaar, dat heb ik nu wel geleerd.

Enfin. Ik ben nu weer thuis en ik ben een slappe vrouw, een met betadine beschilderde voetbal als buik, maar in godsnaam thuis bij David.  

Over waarom ik maak

Ik heb tekenen en andere manieren van vormgeven altijd erg leuk gevonden. Mijn zus Sjaan en ik hadden vanaf dat we kleine kinderen waren het grote geluk de illustratrice Mance Post als een soort mentor te hebben: zij hielp ons met alle kunstzinnige projecten die we ondernamen. Zij liet mij al haar prachtige materialen gebruiken en heeft me – zolang ze zelf geen prangende opdracht had – toegestaan aan haar werkbureau te zitten en leren (portret)tekenen en schilderen.

Mance leerde mij ook de kunst van het linoleumsnijden, iets dat zij onder andere deed voor de boeken van Toon Tellegen, zoals hiernaast is te zien. Ik ben haar voor alles dat ze heeft gedaan voor mij erg veel dank verschuldigd.

Ook stelde Mance mij voor aan haar eigen oude docent, Piet Klaasse, die mij ook veel heeft geleerd, al stierf hij helaas toen ik jong was. Hij maakte onder andere prachtige illustraties voor de Kinderbijbel en specialiseerde zich in (spelende) musici vastleggen. Dat laatste heeft hij ook bij mij gedaan, zoals hieronder te zien.

Brief aan Prokofiev

Beste Sergej,

Waarschijnlijk ben je gewend door liefhebbers van je muziek te worden overspoeld met superlatieven. Ik ben zeker een groot bewonderaar van je, maar voor één ding kan ik je niet vergeven: de Wolf. Je hebt mij en vele kinderen met mij onder de tafel gejaagd met je dreigende hoorns en wrede pauken. Door boze tranen heen keek ik dan naar mijn moeder’s ontspannen voeten en hield haar enkel vast tot het over was. Dan langzaam van onder de tafel komen en zeggen dat het niet zo erg was, hoor.
Later, wat ouder, voelde ik de Wolf alláng aankomen en klom op de ribfluwelen benen van mijn vader, die mij dan stevig vasthield, om vervolgens zachtjes in mijn oren te grommen.

Nu nog voel ik de woede jegens de muziek, of jegens jou eigenlijk, dat het me dít aandeed, dat het me kwaad deed. Maar dan kwam de troost van het Peter-thema, waarop de tranen opnieuw kwamen, maar dan van opluchting en voorzichtig vertrouwen: de muziek was me weer goed gezind. Ik liet mijn vader los en liep terug naar mijn zusje, dat dapper was blijven zitten waar ze zat. Wat zal je trots zijn geweest op je eigen muzikale kracht, toen je voor het eerst sovjet- kinderen met witte strikjes en rode sjaaltjes zag ineenkrimpen van angst.

Maar ik vraag me ook weleens af of je trots op mij was geweest, als je jouw Ouverture on Hebrew Themes had gehoord toen ik hem voor het eerst speelde.
Ik was een bakvis onder bakvissen op een zomercursus in Oostenrijk. Er was daarvoor een 13e eeuws kasteel afgehuurd en we sliepen in de torens, repeteerden in de martelkamer, hingen aan de kroonluchters, kotsten in de slotgracht en één van ons sprong een opgezet paard om de hals, waarop het door zijn hoeven zakte. We kochten tweeliterflessen rode wijn, zetten die tussen ons in als we repeteerden en balanceerden sigaretten op onze lessenaars. In kastelen zijn geen rookmelders en bovendien: échte musici deden dat toch ook als ze repeteerden?
Ik mat mezelf een solistisch persona aan, hield mijn oren op stokjes, knikte de altviolist bemoedigend toe, schonk de pianist een minzaam glimlachje, terwijl ik vanbinnen stierf van de zenuwen. Ik leerde de muur te metselen die het vak van ons vergt.
Ik had net mezelf leren vibreren op de klarinet. Jaloers had ik jarenlang mijn zus horen wapperen op haar viool en ik wilde óók. Daar maakte ik in dit stuk copieus gebruik van en dat werd een leuke volkse boel. Onze leraar vond dat zo aandoenlijk dat hij me vroeg bij het concert al spelend de zaal binnen te komen, terwijl ik een ‘joodsig bruiloftsdansje’ deed.
Het begin van het stuk doe mij een beetje denken aan een begrafenisondernemer met een klapvoet, wellicht ben je het ermee eens. Probeer dáár maar eens een dansje op te doen. En zeg nu eerlijk, even van shickse tot goy: we kunnen nog zó ons best doen, maar joods zullen we nooit zijn.
Ik trilde de hele dag van het concert als een rietje, maar ik heb het verdomme gedaan en het overleefd. Onder normale schoolkinderen zou ik jaren gepest worden door het doen van dit dansje en me zo aan te stellen, maar onder mijn muzikale lotgenoten was ik vanaf toen een heldin, een durfal. Ik zal het nooit meer met zoveel geestdrift spelen als toen, maar de moed die de muziek, of jij eigenlijk, me toen heeft ingeboezemd, daar móét ik je voor bedanken.

HGr, Heleen Oomen

Zie hier de pagina uit het tijdschrift De Nieuwe Muze, waar deze brief in verscheen.

Woord-allergie

Kent u dat, dat u zich zó ergert aan een bepaalde uitdrukking of zelfs maar één woord, dat het horen uitspreken ervan u onpasselijk maakt?
Zo heb ik al mijn hele leven grote moeite met de woorden (op)peuzelen en (op)smikkelen: het lijkt mij iets dat onmogelijk plezierig kan zijn, bijvoorbeeld iets dat men opdraagt aan kinderen te doen met bruinende stukjes appel. Maaltijd doet me altijd denken aan dat we eigenlijk maar dieren zijn, die malen, verteren en dan uitwerpen. Onomatopeeën die te maken hebben met eten, zoals slok, en hap, verdraag ik ook slecht. Om maar niet te beginnen over het lied ‘Smakelijk eten, hap hap hap, slok slok slok.’ Ten slotte wil ik niet dat iemand mij ‘smakelijk eten’ toewenst. Bah.

Goed, het zal wel aan mij liggen. Het deprimeert me dat mensen fleurige termen bedenken om de dagelijkse zaken op te leuken, of om zelfs ‘het kolken des wereldleeds’ te bezweren. Ik zal dat laatste even voor u illustreren. 
Begin maart, nog voor alle café’s gesloten werden, stond ik in een tabakszaak op mijn beurt te wachten, terwijl een vrouw de ietwat ongeduldig uitziende eigenaar aan de praat hield.
Ik luister altijd iedereen af (ook kijk ik in kastjes bij mensen thuis en ja, ik kijk naar iedereen in de sauna), dus uiteraard hier ook.  De vrouw in kwestie leek getekend door veel roken en het leven in het algemeen, en had een krullerige hond bij zich, die zuchtend naar haar opkeek.
Zij sprak met een hese, vermoeide stem:

‘… er komt al niemand bij mij thuis…  dus ik zie vrijwel niemand…  ik heb nog geluk dat ik de hond mag uitlaten’.
De hond keek daarop alsof hij dat geluk niet delen kon.
‘Ja’, sprak de eigenaar armoedig.
‘Ik ben doorgaans niet zo snel eenzaam’, ging zij verder, ‘nou, goed, de schoonmaker komt wel langs, natuurlijk. Die houdt soms een praatje’.
‘Ja’, zei de man weer. 
Maar nu komt het:
‘Helemaal nergens heen mogen… ik weet niet hoe ik het zal uithouden, hoor, want als we straks lockie-lockie gaan…’
Bij dit laatste maakte ze een beweging alsof ze haar keel doorsneed. De eigenaar knikte meewarig.
De vrouw zuchtte. De hond zuchtte.
Hierop besloot zij op huis aan te gaan, kermde ‘dááág’  en verdween de winkel uit.

Lockie-lockie! Nou vraag ik je. 
Ik heb die arme vrouw nooit meer gezien, en soms vraag ik me af hoe zij verder gevaren is. Maar die lockie-lockie, daar heb ik sindsdien toch wel erge last van.