‘Waarom bel jij me niet als je zoiets hebt?’, zei mijn huisarts enigszins gekwetst toen ze me opbelde.
Drie dagen ervoor werd ik wakker met een vrij heftige pijn in mijn buik. Ik keek op de klok: half één. Ik slaap al meer dan een jaar bijzonder slecht -dit houdt veel wakker worden in-, vaak vanwege een gevoel van alertheid, soms van lawaai van mijn verloofde, het gros van het jaar ook nog doordat ons bed te klein was en wij te groot. Maar zó snel na het inslapen wakker worden was zelfs mij nog niet eerder gelukt. Ik voelde misselijkheid opkomen, en heb de rest van de nacht overgegeven en pijn geleden. De maandag die erop volgde hield dit aan en stuurde ik mijn huisarts een online bericht dat ik dit had doorgemaakt en wilde weten wat ik kon eten en doen om te kunnen functioneren. De volgende ochtend stond ik zelfs in de sportschool, mét pijn, om mijn lijf te dwingen te kunnen krachtpatsen.
En toen belde de huisarts, ontbood me te komen, en stuurde me toen rechtstreeks op verdenking van een blindedarmontsteking door naar de eerste hulp, het OLVG Oost te Amsterdam.
Daar in de namiddag aangekomen in de eerst hulp-wachtkamer, belde ik mijn verloofde, David, op dat hij niet helemaal uit Den Haag hoefde te komen, want de huisarts had volgens mij gewoon zin in dramatiek. Hij stond erop toch te komen.
Toen de eerste verpleegster mij ontving, kreeg ik onmiddellijk een infuus in mijn arm, dat ze bijna liefhebbend een ‘bloedkraantje’ noemde, want dan kun je *poep* – deed ze- zó het bloed laten stromen. Ik kwam daar eigenlijk alleen om te laten bewijzen dat ik geen blindedarmontsteking had, dus ik vond dit alles vrij overdreven.
In de wachtruimte voor de spoedafdeling probeerde ik op de achterkant van een kleurplaat een gedicht te schrijven genaamd ‘de ballade van de appendix’. Maar dit gaf ik snel op, omdat ik niets kon rijmen op ‘uit’ na de regels ‘Middernacht schreeuwt mejuffer Oomen het uit:/’mijn ingewanden staan op springen!’.
De zaalarts kwam mij halen, ik douwde beschaamd mijn stompje gedicht in de prullenbak. Daar op de spoedafdeling zat ik lang te wachten op een bed, tot David eindelijk binnenkwam, ongeveer 2 uur nadat ik hem belde. Na enige tijd kwam weer een andere zaalarts mij na anamnese vertellen dat mijn symptomen ‘erg suggestief’ waren voor appendicitis, maar dat ze het niet kon zien. Ze vroeg wanneer ik voor het laatst had gegeten, en dat ik voor een operatie wel nuchter moest zijn, als het vanavond nog zou moeten gebeuren. Ik at al twee dagen nauwelijks, dus dat zat wel snor. Ik registreerde dit alles niet volledig, maar David wel, die zich onmiddellijk zorgen maakte dat we niets meer mochten eten. Ik zou hem dit nog lang om de oren slaan, arme jongen. Verder heb ik geen vragen gesteld, omdat ik te verbouwereerd was.
Na weer een uur mocht ik naar boven voor een echo, en ik werd voortgeduwd in een bed, wat ik bizar vond. Kan ik nu ineens niet meer lopen? Daar, in de echo-wachtkamer, aaide David mijn voeten en vroeg ik hem als afleiding het verhaal van Narcissus en Echo te vertellen, dat hij gehoorzaam oplepelde.
Op een gegeven moment kwam een verdwaalde radioloog aanzetten, die mij met zijn apparaten vrij veel pijn deed en zei: ‘Ja die moet eruit’, want mijn appendix was dus wél ontstoken. Hij kon niet zien of hij al geknapt was, dat moest duidelijk worden tijdens de operatie, maar het was goed mogelijk, zei hij. Hij kon verder geen vragen beantwoorden, want dit was meer voor de chirurg.
David en ik keken elkaar verbaasd aan. Eerst zet de meligheid in, hoor. Maar geopereerd was ik nog nooit, en ook had ik nog nooit iets gehad dat je als ‘gevaarlijk’ of ‘acuut’ mag bestempelen. Ergens wist ik dat dit zo was, maar googlen zou ik mijn tijd in het ziekenhuis niet doen, dat ging ik mezelf niet aandoen. Een geknapte appendix en de gevolgen daarvan waren te raar om me bij mezelf voor te stellen, dus mijn instelling was ‘Tja, dit moet, en het is vanavond gebeurd, dus ik ga er niet te veel over nadenken’. Al zingend en klingend (zie de ballade Lied van Heer Halewijn) werd ik in een bed terug naar de spoedafdeling geduwd. David vertrok om wat spullen voor me te halen, ik geloof dat ik hem vroeg om een telefoonoplader en een boek, want ik was toch zo weer weg?
David kwam mijn spullen brengen. De schat had een roos meegenomen, en gelukkig ook een slaapjurkje, een paar Carmiggelts, en de zeehond-knuffel Tjeerd, die ik voor hem kocht op ons geliefde Ameland, die in plaats van mijn knuffel Twidy dienst moest doen. Mijn Twidy mag nergens heen, want die mag niet kwijtraken. David ging weer, na me lang te hebben gekust (als delfts blauwe kussende kindjes). Ik keek nog lang naar hem, terwijl hij gezond het ziekenhuis uitbeende.
Na een uur met een rommelende maag naar een systeemplafond-tegel kijken, werd ik door een alleraardigste jongen gebracht naar de acute afdeling. Hij vroeg wat ik van de mallemolen vond. Ik zei dat ik het niet wist en keek verbaasd in de spiegel van de lift naar mijn bleke hoofd. Ik kreeg een bed en een aantal pijnstillers en de verpleger Marnix legde uit dat het zo maar kon zijn dat ik zo al werd opgehaald, maar dat het ook wel even kon duren. Hij liep weg zonder te wachten op een vraag van mij.
En toen was ik echt alleen. En wat wist ik eigenlijk? Niets, niet wanneer ik werd gehaald, hoe het echt zat in mijn buik, of ik dood zou kunnen gaan, maar ook hoe de tv werkte, hoe ik een verpleger moest roepen, of ik water mocht drinken. Wat is nuchter? Wanneer mag ik een verpleger roepen? Worden ze geïrriteerd als ik om hulp vraag? Is er hier code corona, moet ik een mondkapje dragen, hoe ziek zijn de anderen?
Geshockeerd probeerde ik mij te nestelen op het vreemde sponzige ziekenhuis-bed. Het rook chemisch en ziek. Ik keek naar mijn arm, met het bloedkraantje. Ik keek naar de kamer en de mensen met wie ik de kamer deelde, die daar open en vol in het zicht lagen, maar heel kort, want ik sloot meteen de gordijnen rondom mij. Zo had ik een soort mini-kamertje. Als ik mijn bed verliet, deed ik dat met oogkleppen op. Ik registreerde geen gezichten.
Wel hoorde ik ze constant praten. Er lag een Marokkaanse jongen die klonk alsof hij overgewicht had, ik weet inmiddels hoe dit klinkt omdat ik bij de GGD (de vaccinatielijn) tientallen mensen met morbide obesitas heb ingepland. Hij belde onophoudelijk met vrienden. Hij gaf de indruk een druk mens te zijn, want hij had feestjes met tantes, ooms en neefjes en vele ‘bradda’s’, en overal scooters en telefoonschermen te regelen. Hij benadrukte aan iedereen dat hij onterecht was opgenomen en gewoon weg kon lopen, al heb ik hem in de tijd dat ik daar was niet één keer zien lopen.
Er lag een Amerikaans meisje dat vrij snel al werd ontslagen ‘ thankyow byeguyssss’. Daarvoor in de plaats kwam een lodderige stem rechts van mij, een vrouw die in de Jellinek zat, zo te horen aan al haar telefoongesprekken, want ze sprak over ‘de strijd’ en ‘gebruiken’, en terug naar de kliniek moeten hierna. Ze had een schrale lach en drukke beentjes, waardoor mijn gordijnen schudden.
Mijn kamergenoten hadden geen enkele gêne; ze spraken hard, belden met de speaker aan, ruften, spuugden, kermden en zuchtten zo hard ze wilden.
En ik zat daar als een kerkmuis. Waar was mijn noodknopje? Toen pas durfde ik de verpleger te gaan halen op de gang omdat ik ook zo graag mijn sportbeha uit wilde doen, maar dit niet zelf durfde omdat ik bang was dat ik mijn bloedkraantje eruit zou jassen. *poep*!
Ik voelde me schuldig dat hij eventueel mijn grote blote borsten moest zien, en verontschuldigde me toen ze inderdaad, toen hij me hielp, met een grote onbeschaamdheid uit de strakke top floepten, als een clown die het podium opspringt. Hij liet niets merken en zei: ‘waarom draag je dat in godsnaam, wat ongemakkelijk.’ Ik mompelde dat ik inderdaad wel stom was. Ik zwaaide gedwee naar hem. En daar ging-ie weer, zodat ik wéér niet wist waar het noodknopje zat.
Vele hongerige uren later (waarin ik uiteindelijk wel durfde te vragen waar dat vermaledijde knopje was) werd het duidelijk dat de operatie vanavond niet zou lukken. Gelukkig durfde ik om middernacht om een slaappil te vragen, want slapen in een ziekenhuis? Dat zou me nooit lukken. Het zou een vreselijke nacht worden, met verplegers elk uur, piepjes, gesmak, zuig- en blaasgeluiden en hard gesnurk.
Om 6 uur werd ik wakkergemaakt voor bloed prikken en medicijnen. De uitslag daarvan werd mij niet medegedeeld. Een uur lang keek ik naar mijn bloedkraantje. Daarna kwam er om 7 uur iemand binnen die mij een ontbijt aanbood. Ik stamelde dat ik dat niet mocht, dacht ik zo, en ze liep weer verward weg. Ze stak even later haar kop om de gordijnen heen en zei: ‘ja klopt, sorry’. Ik zou in de ochtend worden geopereerd, dus nuchter blijven was nodig.
Dit operatie kwam niet in de ochtend. De honger maakte me inmiddels redelijk zwakjes, en de tranen waren om de hoek. Toen ik op de muur las dat door corona de bezoekuren pas vanaf 15:30 waren en ik me realiseerde dat ik dit alles zonder David moest doorstaan, begon de paniek toe te slaan. Maar het noodknopje was ik te trots voor. De tijd was als stroop.
De zaalarts kwam zich melden, die vroeg hoe ik me voelde. Ik zette mijn sympathieke hoofd maar weer op. Gelukkig deden de tranen het werk voor me, want die kon ik inmiddels niet meer binnenhouden. Ik zei dat ik bang was, omdat ik niet wist hoe, wat of wanneer en dat ik het eng vond dat ik het alleen moest doormaken. Dat ik een naar jaar had gehad en vaak nogal bang ben. Ze zei dat ze me niet mocht aanraken vanwege corona, maar dat ze met me te doen had. Ze legde uit dat de geplande operaties en keizersneden etc. voorgaan (wat ik begrijp!), en dat de chirurgen het niet kunnen laten weten wanneer ik mag, maar dat het sowieso einde middag gebeurd was. Ze wenste me sterkte en ik huilde ‘ja’. En ik gaf haar nog even een lachje mee om haar gerust te stellen en vroeg of ze misschien een kussen op m’n hoofd wilde drukken tot die tijd.
Je hoopt altijd, als je een grapje maakt, dat je de eerste bent, maar iets zegt me dat in een ziekenhuis die vraag vaker wordt gesteld.
Erna ben ik volgens mij een beetje in een soort hongerdelier geraakt. Ik ben, vraag maar aan mijn omgeving, eigenlijk al na een uur honger onuitstaanbaar, en nu zat ik op drie dagen van eigenlijk niet eten. Ik weet eigenlijk niet meer precies vanaf hier op welke volgorde alles gebeurde, maar wel dat ik op een gegeven moment wel stennis móést gaan schoppen, omdat ik me zo ziek en zwak voelde. De wereld is niet gemaakt voor timide mensen. De wereld is niet gemaakt voor introverten. En dat geldt dus ook voor het ziekenhuis: je hebt geen privacy, en het is raar als je je gordijnen dichtdoet, dat zag ik wel aan de verstoorde blikken van de verplegers als ze zich naar binnen waadden.
Je moet ook je ruimte innemen, vragen stellen, en stennis schoppen als je iets nodig hebt.
Het knopje! Het knopje! Het eerste resultaat ervan was niet een perspectief op wanneer ik zou worden geopereerd, maar een vochtinfuus, dat vreemd doch fris in mijn arm bruiste.
Het knopje ben ik daarna steeds vaker gaan gebruiken, maar ik vergat telkens waarom ik dat had gedaan. Ik was bang, ik was niet meer rationeel: de narcose zou me het leven kosten, en de appendix was natuurlijk al geknapt, want zei die ene dokter niet…? Waarom verlangde ik eigenlijk al deze uren naar zoiets gevaarlijks? Zou ik niet beter weglopen? Ik dacht na over dat de dood in elk geval voor mijzelf misschien onbewust zou komen. Je lacht? Ik nu inmiddels ook.
Het werd middag, het werd namiddag, het werd avond. Tjeerd de zeehond viel telkens uit het bed, en een mager handje van een inmiddels aangeschoven nieuwe patiënte duwde hem telkens door de gordijnen terug mijn bed in. Er kwam nog een vochtinfuus, en Carmiggelt hielp niet meer, het internet niet, nergens kon ik me op concentreren. Het veel te korte uur dat David mocht langskomen was een kleine heerlijke onderbreking. Maar daar ging-ie weer.
Inmiddels was de lodderige stem vervangen door een man die een pesthuis-sfeer met zich meebracht, door zijn walgelijke natte hoest en angstaanjagend benauwde geluiden, die op ritme van zijn adem kwamen. Hij had als dakenbedekker gewerkt en legde uit aan de nog altijd bellende Marokkaanse jongen, dat het door de giftige stoffen kwam. Inmiddels had ik hem lang en breed mogen aanschouwen, hij was inderdaad reusachtig, als een smeltend stuk deeg, met een klein rond balletje bovenop, waarin guitige voortanden stonden, zijn lispelende manier van spreken verklarend. Maar hij was heel lief en bood aan me stiekem een Kinderbueno te brengen. Ik heb toch maar geweigerd…
De tijd liep niet meer en kwam tot stilstand. De verpleger Marnix kwam vertellen dat het misschien toch morgen werd, en dan op z’n laatst morgenmiddag, en dat ik toch echt nuchter moet blijven tot die tijd. Maar dat er voor mij werd gevochten om het vanavond te doen. Ik weet echt niet meer wat ik heb gezegd, maar ik weet wel dat ik niet meer mijn best deed om te glimlachen en erna in slaap ben gevallen. Volgens mij schakelde mijn lichaam mij uit genade uit. Het niet-weten werd me te veel, denk ik.
Tot plotseling Marnix rond 21 u dansend binnenkwam met een operatiejasje. Toen ging het opeens snel: voordat ik wist lag ik vastgeketend in de OK, met nappen en draden, in een papieren onderbroek, trillend over mijn hele lijf van de angst, maar vastberaden de narcose in te gaan met gepaste gedweeheid. Het hele team in de OK stelde zich voor en ik kreeg voor het eerst de vraag: ‘heeft u nog vragen?’ En ik vroeg: ‘mag ik meteen weer klarinet spelen?’ Wat ik echt vrij aandoenlijk en tragisch vind achteraf gezien, en als je me kent vind je dat ook.
De chirurg zei overigens zeer gedecideerd ‘nee’. Ik bedankte hem dat-ie me wilde opereren. De chirurg riep, zijn handen wassend ‘je móét!’
Ik bedankte ook nog even de assistent-chirurge. En zij zei: ‘ach ik ben toch een vrouw van jouw leeftijd’. Raadselachtig.
En denkend aan een mooi strand ging ik dat narcosekapje in, en als een uitgelaten koe in de wei kwam ik eruit, iedereen was competent en waardevol, ook de prullenbak. Morfine… Het was goed gegaan. Twaalf uur later zou David me met de auto ophalen.
Nog even terug naar eerder die dag. Nadat ik voor het eerst huilde tegenover een zaalarts kwam er een verpleegster, ene Cara, duidelijk specifiek naar mij toegestuurd, die heel kunstmatig haar hand op mijn been legde en zei: ‘voor jou is het niet gewóón een simpele blindedármontsteking, dit is jouw leven’.
Vertaling: ‘voor mij, Cara, is het gewoon een blindedarmontsteking en jij moet rustig blijven’. Hoe houd je het voor mogelijk?
Als je even toch googelt, kun je namelijk zien dat het niet gewóón een blindedarmontsteking is, je kán doodgaan. Je kán ook onvruchtbaar worden als het ding knapt. Dit is dus waarom de assistent-chirurg zei: ‘ach ik ben toch een vrouw van jouw leeftijd’. Lees: vruchtbare leeftijd. Mijn vriendin Megan, die zelf ook gastro-enteroloog is, zegt dat het medisch gezien absoluut niet te verdedigen is níét binnen 24 uur te opereren. Dat is bij mij níét gebeurd. Later hoorde ik ook dat er een ambulance klaarstond om mij naar OLVG-west te brengen als het niet was gelukt mij op tijd te opereren. Maar wat was ‘op tijd’ geweest, wat zijn de voorwaarden van ‘op tijd’?
Natuurlijk kan een mens het aan niet te eten, maar niet te wéten is onuitstaanbaar, dat heb ik nu wel geleerd.
Enfin. Ik ben nu weer thuis en ik ben een slappe vrouw, een met betadine beschilderde voetbal als buik, maar in godsnaam thuis bij David.

Op geheel eigen wijze zowel laconiek als ontroerend ❤
LikeGeliked door 1 persoon